Nationale Reddingsvloot

Rampeneenheid

Reddingsbrigade De Streek heeft door de kwaliteit van de opleidingen en de kennis en inzet van de leden de status ‘Watersnood Rampbestrijding’ gekregen en kan op verzoek van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (voorheen Binnenlandse Zaken) worden ingezet voor het bestrijden van een ramp, of een ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De reddingsbrigade heeft daarvoor een zogenaamde Rampen-eenheid, bestaande uit een speciale reddingsboot met buitenboordmotor, speciale pakken en communicatieapparatuur. Er wordt geoefend door deel te nemen aan landelijke oefeningen, vaak met brandweer, Rode Kruis, ambulance, politie en eenheden van de landmacht.

Het materieel van de rampeneenheid wordt ter beschikking gesteld door het ministerie van V en J en het Nationaal Rampenfonds. Behalve de landelijke oefeningen wordt er ook door de regiobrigades regelmatig een oefening voor deze eenheden gehouden. Soms organiseert Reddingsbrigade de Streek een dergelijke oefening. In september 2011 heeft het Streekbos als rampgebied gefungeerd. Het werd voorgesteld als een ondergelopen gebied waar mensen op onveilige plaatsen zaten en moesten worden opgespoord en vervoerd naar een ‘veilig’ gebied.

Uit de leden die aan Varend Redden doen wordt een selectie getraind voor de Rampeneenheden.

Waarom de NRV?
Dé aanleiding voor de Nederlandse regering om een Nationale Rampenvloot in het leven te roepen was de watersnoodramp van 1953. Die eiste honderden slachtoffers in de provincies Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. De oprichting werd mogelijk dankzij financiering vanuit het Nationaal Rampenfonds (NRF).


Voor deze eeuw berekent het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) een zeespiegelstijging van 35 tot 85 centimeter. Bovendien heeft Nederland te maken met ontwikkelingen als bodemdaling, kanteling naar het westen en noorden, meer neerslag (ook in de zomer), meer waterafvoer via de rivieren en toenemende verdroging als gevolg van hogere temperaturen. Hierdoor neemt de kans op overstromingen in ons land de komende jaren toe. Het bestaan van de Nationale Reddingsvloot blijft dan ook van groot belang.

Rijksoverheid
Sinds 1995 krijgt Reddingsbrigade Nederland een structurele bijdrage vanuit de Rijksoverheid. Hiermee wordt gegarandeerd dat er 90 eenheden (vletten) 24 uur per dag en zeven dagen in de week paraat staan voor inzet. Deze eenheden zijn deels in bruikleen gestald bij de lokale reddingsbrigades en liggen deels in opslag in een depot in Wijk bij Duurstede. Een eerste grote inzet van de Nationale Rampenvloot vindt plaats in 1993 bij de watersnood in Limburg, Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel. Ook in 1995 en 1998 wordt de vloot ingezet bij overstromingen in zuidelijk Nederland.

Overeenkomst
In 2010 wordt voor een periode van vijf jaar een overeenkomst afgesloten met het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De Nationale Rampenvloot wordt hiermee overgeheveld van het Rijk naar de veiligheidsregio’s. Er komen 75 eenheden in bruikleen bij aangewezen reddingsbrigades. In 2012 wordt de naam Nationale Rampenvloot veranderd in Nationale Reddingsvloot (NRV). Deze kán worden ingezet bij overstromingen, maar ook bij andere watergerelateerde calamiteiten of bij evenementen in, op of rond het water. In 2016 en 2017 wordt de eerder genoemde overeenkomst met het ministerie verlengd en wordt het voorstel ontwikkeld om te komen tot een toekomstbestendige regionale – en nationaal opschaalbare – reddingsvloot. Deze moet komen te vallen onder de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio’s. Nederland is ingedeeld in 25 veiligheidsregio’s; daarvan zijn er 22 met een overstromingsrisico. Deze 22 zijn betrokken bij de vorming van de Nationale Reddingsvloot; ze leveren vanaf 1 januari 2018 elk een reddingsgroep vanuit de eigen regio. Deze staan op afroep 24 uur per dag klaar om ingezet te worden.

Bron: http://nationalereddingsvloot.nl/